Werk in uitvoering

Werk in uitvoering

3. Onvermijdelijke vragen?

De vragen die Job aan God stelde, stelt Leopardi’s IJslander aan de Natuur. Maar ze kunnen evengoed gesteld worden aan andere seculiere plaatsvervangers van God, bijvoorbeeld aan de Geschiedenis, zoals Hegel deed in zijn Vorlesungen űber die Philosophie der Weltgeschichte (1830). Wanneer wij de Geschiedenis overzien, schrijft Hegel daar, dan zien wij,

een overweldigend tafereel van gebeurtenissen en daden, van velerlei typen en volken, staten en individuen in rusteloze opeenvolging. (…). Overal stelt men zich doelen en streeft men die na. (…) In al die gebeurtenissen en toevalligheden valt het handelen en het lijden van de mensen op, nergens verschillend van het onze. (…) Men kan van deze (zaken) een afschuwelijk tafereel ophangen, zonder dat men behoeft te overdrijven. Een onopgesmukt relaas (…) is al voldoende om de gevoelens op te zwepen tot een wanhopig, radeloos verdriet dat niet wordt getemperd door een resultaat dat ons ermee kan verzoenen. Evenmin kunnen wij ons er tegen pantseren of ons er overheen zetten met de gedachte: het is nu eenmaal niet anders; het noodlot heeft het zo gewild; er valt nu eenmaal niets aan te doen (…) Maar ook als wij de geschiedenis beschouwen als een slachtbank (…) rijst onvermijdelijk toch de vraag: aan wie en met welk doel deze ontzaglijke offers zijn gebracht (eerste cursivering toegevoegd).[i]

Hegel zegt dat de vraag naar het waarom onvermijdelijk opkomt, wat voor de hand ligt als het om een vraag gaat die binnen die culturele traditie als een fundamentele vraag geldt. Elders in zijn tekst stelt hij de westerse (joods-christelijke) traditie tegenover een andere, die hij ‘oriëntaals’ noemt. Volgens Hegel overheerst in die ‘oriëntaalse’ traditie de gedachte dat de dood nu eenmaal noodzakelijk is om nieuw leven mogelijk te maken, een gedachte die, zoals we zagen, ook werd uitgesproken door de Natuur in haar dialoog met de IJslander. Hegel noemt, sprekend over de bewoners van de Oriënt, deze gedachte vervolgens ‘wellicht hun grootste’. Ook het beeld van de feniks die zichzelf eens in de zoveel jaar verbrandt om opnieuw te kunnen ontstaan, typeert Hegel als ‘een Oosters beeld’. De feniks keert immers steeds verjongd terug als dezelfde vogel. ‘Westers,’ aldus Hegel, ‘is de opvatting dat de Geest niet slechts verjongd naar voren treedt, maar verhoogd, verlicht.’[ii] Met andere woorden: binnen de westers-christelijke geschiedopvatting is volgens hem geen sprake van een onvermijdelijke cyclische opeenvolging van dood en leven; er is sprake van vooruitgang. Dood en lijden dienen een doel. Op een voor de mens niet geheel of misschien wel geheel niet inzichtelijke manier brengen zij het einddoel van de geschiedenis dichterbij.

Het is deze opvatting over de Geschiedenis die vragen naar de betekenis van historische gebeurtenissen zinnig maakt. Sterk uiteenlopende antwoorden zijn mogelijk, zelfs het antwoord dat er uiteindelijk geen betekenis, doelof zin achter de geschiedenis zit. (‘Geschiedenis,’ zei Goethe in een van de gesprekken waarvan wij een verslag hebben, ‘is voor wie dieper doordenkt een weefsel van onzin.’)[iii] Maar Hegels betoog illustreert dat de vraag naar ‘een diepere zin van dit alles’ onvermijdelijk blijft opkomen. Onvermijdelijk binnen de context van een bepaalde denk- en gevoelswereld, voeg ik daaraan toe.

Buiten die context valt die onvermijdelijkheid weg, zoals geïllustreerd wordt in het verhaal dat cultureel-antropoloog Paul Radin vertelt over een veelgeplaagde, oude Ba-Ila vrouw uit noordelijk Zimbabwe:

Zij was een oude vrouw uit een familie met een lange geschiedenis. Leza, ‘de Achtervolger’ (the Besetting One), strekte zijn hand uit tegen haar familie. Hij slachtte haar vader en moeder af toen zij nog een kind was, en in de loop van haar leven stierven allen die met haar verbonden waren. (…) Ook haar kinderen werden haar afgenomen. (…) Toen kwam in haar hart het wanhopige plan op om Leza te zoeken en hem naar de bedoeling van dit alles te vragen. (…) Zij reisde door land na land (…) en men vroeg haar: ‘Wat kom je doen, oude vrouw?’ Haar antwoord was: ‘Ik zoek Leza’. ‘Zoek je Leza! Waarom?’ ‘Mijn broeders, dat vraag je aan mij! Is er iemand in deze landen die lijdt zoals ik?’ (…) En zij antwoordden: ‘Wij zien dat je lijdt. Beroofd van je vrienden en je man ben je. Maar waarin verschil je van anderen? De Achtervolger zit ons allemaal achterna en wij kunnen hem niet kwijtraken.’ Nooit slaagde zij er in haar plan te volvoeren; zij stierf aan een gebroken hart.[iv]

In tegenstelling tot de IJslander krijgt de Ba-Ila vrouw niet te horen dat zij Moeder Natuur benadert met verkeerde vooronderstellingen omtrent haar aard, maar dat zij een absurde vraag stelt. Binnen de traditie van de Ba-Ila is de vraag naar de reden van dat wat gebeurt binnen het Grote Geheel niet zinnig. Natuurlijk kun je afvragen waarom jouw vader, jouw moeder, jouw kinderen of jouw dieren moesten sterven, of waarom jouw oogst moest mislukken en misschien is er binnen de samenleving wel een specialist die een antwoord weet. ‘Jouw geslacht is vervloekt’ of ‘Je bent het slachtoffer van hekserij,’ of ‘Een van je voorouders is boos omdat je niet aan je verplichtingen jegens hem of haar hebt voldaan’. Misschien kan die specialist je zelfs raad geven over middelen waarmee de vloek kan worden opgeheven of de beheksing kan worden doorbroken. Maar waar de specialist geen antwoord op kan geven zijn vragen zoals de IJslander die stelde aan de Natuur en Hegel aan de Geschiedenis, vragen naar ‘de zin van dit alles’, naar de reden van het menselijk lijden. De Ba-Ila kennen geen speculatieve traditie waarbinnen dergelijke vragen op vruchtbare bodem vallen. ‘De Achtervolger zit ons allemaal op de hielen en je kunt hem niet kwijtraken. Zo is het nu eenmaal.’ Voor de rampen en ongelukken die ons allen kunnen overkomen, valt geen reden aan te geven die aan die gebeurtenissen een diepere betekenis, een zin zou kunnen verlenen. Waarom ligt dat binnen de westers-christelijke traditie fundamenteel anders?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we iets dieper ingaan op het verschil tussen de oorzaak waardoor iets gebeurde en de reden waarom iemand iets deed.


Noten

i] G.W.F. Hegel, Die Vernunft in der Geschichte (Vorlesungen über die Philosophie der Weltgeschichte. Erste Hälfte. Herausgegeben von J. Hoffmeister). Hamburg: Felix Meiner (1955), 34 en 80.

[ii] Ibid.: 35.

[iii] Karl Löwith, Wereldgeschiedenis, wijsgerig en bijbels gezien. Utrecht/Antwerpen: Aula (1960), 53.

[iv] Paul Radin, Primitive Man as a Philosopher. New York: Dover Publications (1957), 100-101.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *